Actueel

Acht stellingen voor het GLB na 2020

28 mei 2015 |

Met de consultatie ‘GLB na 2020’ zijn de voorbereidingen voor het nieuwe GLB alweer gestart. Je ziet dat in de discussie nu het huidige beleid als uitgangspunt wordt genomen, waarbij iedereen probeert zaken bij te stellen. In de aanloop naar het huidige GLB organiseerde EZ ook een serie discussies. Uitgangspunt was toen: Stel, er is geen GLB, hoe zou een Europees beleid voor voedsel, landbouw en platteland er uit moeten zien? Dat is een interessant vertrekpunt.

Fundamentele discussie nodig

Ik heb me het afgelopen jaar intensief bezig gehouden met het uitleggen van het huidige GLB (zie www.caneucapit.eu) en mijn conclusie is:  doorgaan op de huidige weg is heilloos.

Het begin van een cyclus om te komen tot een GLB na 2020 (periode 2021-2027) biedt mijns inziens juist de kans om de discussie fundamenteler te voeren, met een blik op de toekomst en (vooralsnog) zonder de last van het verleden en zonder nog rekening te houden met politieke haalbaarheid.

De problemen zijn duidelijk

En dat een fundamentele discussie over het GLB meer dan ooit nodig is, mag wel duidelijk zijn als we zien welke huidige en toekomstige problemen moeten het hoofd geboden moeten worden en die allemaal op de één of andere manier aan landbouw- en voedselproductie zijn gelinkt: voedselzekerheid voor een groeiende wereldbevolking, aan voedsel en voedselpatronen gerelateerde gezondheidsproblemen, klimaatverandering, doorgaand verlies aan bodemvruchtbaarheid en biodiversiteit, het energievraagstuk, et cetera. Er zijn weinigen die deze probleemanalyse niet delen. Waar verschillend over wordt gedacht is de manier waarop deze problemen moeten worden aangepakt.

Wat verwachten we van de landbouw?

Wat verwachten en vragen (eisen) we als maatschappij aan de landbouwsector, als bijdrage aan de oplossing van deze problemen? Daarna pas komt de vraag op welke wijze we dat willen organiseren: door middel van regelgeving (dwang), of via subsidies en fiscale maatregelen (vrijwillig).

Oorspronkelijke doelen onder de loep

We zijn nu ruim 50 jaar bezig de landbouwsector in Europa te ondersteunen. Nut en noodzaak van het GLB stonden 50 jaar geleden niet ter discussie. Dat is nu wel anders. Hoewel het aandeel in de Europese begroting is gedaald van 75% (!) naar 38% nu, wat nog verder afneemt tot 33% in 2020, gaat het jaarlijks nog steeds om een slordige € 50 miljard. En na al die jaren zijn de oorspronkelijke doelen van het GLB (artikel 39 Verdrag van Rome) nog steeds niet bereikt of staan ze inmiddels, mede als gevolg van datzelfde GLB, weer onder druk. Ik wil ze hieronder een voor een toelichten.

1. Vergroten van de productiviteit

De productiviteit van de landbouw is in de laatste decennia dan wel enorm toegenomen, maar tegen hoge kosten die die productiviteit voor de toekomst weer bedreigen: verlies van bodemvruchtbaarheid en (agro-)biodiversiteit, vervuiling van water, lucht en bodem, klimaatverandering mede als gevolg van de intensivering van de landbouw.

Mijn stelling voor GLB post2020:
In plaats van obsessief verhoging van de productiviteit na te streven moet het beleid gericht worden op verhoging van de efficiëntie van het gebruik van inputs gerelateerd aan de output en verduurzaming van de productie als waarborg voor voedselzekerheid op lange termijn. Zie ook de stelling bij doelstelling 6.

2. Een redelijke levensstandaard voor de boeren

Tja, het is maar wat je redelijk noemt. Zelfs met forse subsidies (voor grote groepen boeren bestaat hun netto inkomen voor 50 tot zelfs 100% uit GLB-subsidies) ligt het inkomen van de meeste GLB-boeren fors lager dan qua zwaarte vergelijkbare banen; veel boeren hebben inkomens onder het minimum. Zonder GLB-subsidies zouden de meeste boeren gedwongen zijn te stoppen. Met andere woorden: het GLB heeft er na 50 jaar nog steeds niet toe geleid dat boeren een redelijk inkomen alleen uit de markt kunnen halen. Je kunt je daarbij overigens afvragen of dit überhaupt wel een Europese doelstelling moet zijn. Het gaat immers de facto om sociaal beleid en dat is op grond van het subsidariteitsprincipe een zaak van nationale overheden.

Mijn stelling voor GLB post2020:
Landbouwbeleid is geen sociaal beleid. Het inkomen en de levensstandaard van boeren is een zaak van de lidstaten. Europese subsidies zijn alleen nog te rechtvaardigen als daar bovenwettelijke maatschappelijke prestaties tegenover staan.

3. Stabiele markten

Sinds de McSharry hervormingen in de jaren negentig is de marktbescherming van de landbouwsector stelselmatig afgebouwd, grotendeels als gevolg van internationale handelsafspraken (GATT, WTO). De boeren voelen dus meer de gesel van de (internationale) markt; een markt die steeds grilliger lijkt te worden mede door de toegenomen vrijhandel, maar ook door de al gevoelde effecten van klimaatverandering die leiden tot een grotere volatiliteit in de prijzen van agrarische grondstoffen. Tegelijkertijd hebben multinationale afnemers, verwerkers en retailers hun grip op de mondiale voedselmarkt dusdanig versterkt dat de boer een steeds kleiner aandeel heeft in de totale toegevoegde waarde. De positieve vooruitzichten wat betreft de mondiale vraag naar voedsel betekenen dus niet automatisch dat de boer daar beter van wordt.

Mijn stelling voor GLB post2020:Voedselproductie in Europa is in hoge mate afhankelijk van import van inputs (energie, veevoer) en export van eindproducten. In het huidige klimaat van vrijhandel (TTIP!) leidt dit tot een grotere volatiliteit van prijzen voor zowel grondstoffen als eindproduct. Deels is dit een gegeven, maar er valt zeker aan de inputzijde winst te behalen door het beleid meer te richten op het stimuleren van duurzame energieproductie en eigen teelt van krachtvoer. Regionale kringlopen kunnen hierin een grote rol spelen, zoals de (niet gesubsidieerde!) tuinbouw al aantoont.

Verder moet ‘Europa’  zich nadrukkelijker bezighouden met de ontwikkelingen in de verdeling van macht en toegevoegde waarde in de keten. Dit gaat verder dan het ondersteunen van producentenorganisaties. Het toenemende aantal maatschappelijke en consumentenorganisaties dat stelling neemt in het landbouwdebat kunnen uitgedaagd worden om een nieuw sociaal contract met de landbouwsector af te sluiten om faire prijzen voor boeren te bedingen.

Gezien het inherent inelastische karakter van vraag en aanbod van voedselproducten blijft het aanhouden van vangnetconstructies en noodreserves noodzakelijk. ‘Europa’ zou in jaren van overvloedige oogsten, tegen relatief lage kosten, basisvoedselvoorraden kunnen blijven opslaan en weer beschikbaar stellen in tijden van tekorten en dus hoge voedselprijzen.

4. Voedselzekerheid

Voedselzekerheid was 50 jaar geleden de belangrijkste drijfveer van het GLB en nu weer een hot item! Hoe is het mogelijk! De FAO onderscheidt vier dimensies van voedselzekerheid: de beschikbaarheid van voldoend voedsel dat gezond en veilig is; de toegang tot voedsel; het gebruik van voedsel (waaronder ook voedselverspilling) en voedselstabiliteit. Daaraan zou het begrip voedselsoevereiniteit nog toegevoegd kunnen worden: het recht van landen (of regio’s) om maatregelen te nemen om de binnenlandse voedselzekerheid te waarborgen.

Voedselzekerheid wordt in de huidige discussie veelal verengd tot voedselproductie: hoe halen we met minder inputs meer van een hectare of uit een dier? Momenteel wordt er in calorische waarde overigens voldoende voedsel geproduceerd om de hele wereldbevolking mee te voeden. Toegang tot (gezond en veilig) voedsel is meer het probleem, ook in Europa. De stormachtige opkomst van de voedselbanken in de laatste 10 jaar in heel Europa laat dit zien. En zo lang nog 30 tot 50% van al ons voedsel ergens in de keten verspild wordt, valt daar nog een enorme winst te boeken.

Mijn stelling voor GLB post2020:
Behalve dat je je kunt afvragen of Europa de wereld moet voeden, is de productie op zich in Europa (nog) geen wezenlijk probleem. Als we ons zouden richten op behoud c.q. verbetering van de bodemvruchtbaarheid, ontwikkeling van klimaatbestendige gewassen en agro-ecologische praktijken en het tegengaan van voedselverspilling en overmatige consumptie, zie ik niet waarom voedselproductie voor Europa een issue zou moeten zijn of worden. In plaats te proberen hier de toch al intensieve productie nog verder op te voeren, lijken investeringen in verbetering in de voedselproductie in Afrika en Azië een vruchtbaarder weg, met name investeringen in infrastructuur, educatie en het voorkomen van pre- en post- oogst verliezen.

5. Redelijke prijzen voor consumenten

We geven in Europa gemiddeld zo’n 15% van ons inkomen uit aan voedsel; in Nederland zelfs maar zo’n 10%. Een halve eeuw geleden was dit nog 50% en in sommige ontwikkelingslanden loopt dit percentage zelfs vandaag de dag op tot meer dan 70%. Daarbovenop kost het GLB de gemiddelde Europeaan slechts 100 euro per jaar! Dus waar hebben we het over?  En in ruil daarvoor hebben we een fantastisch voedselpakket tot onze beschikking, dat ook nog nooit zo veilig is geweest (ja, echt!).

Even afgezien van het feit dat het om gemiddelden gaat en er nog grote groepen consumenten zijn, die wel degelijk een substantieel deel van hun inkomen aan voedsel moeten besteden, is er ook hier een keerzijde: veel zaken komen niet terug in de prijs van ons voedsel, maar worden afgewenteld: naar het milieu, naar andere landen, naar de toekomst. Het zou zomaar kunnen dat de ‘winst’ die we als consument halen bij goedkoper voedsel, we als belastingbetaler nu en straks weer dubbel en dwars  terug moeten betalen.

Mijn stelling voor GLB post2020:
De agrarische sector zou het initiatief moeten nemen, gesteund door het GLB, om modellen te ontwikkelen voor wat genoemd wordt ‘true cost accounting’: wat zijn de werkelijke kosten (en baten) van voedselproductie op korte en lange termijn? Wat zou het betekenen als deze kosten integraal onderdeel zouden zijn van de kostprijs en de winst- en verliesrekening?

Sportartikelenfabrikant PUMA doet dit bijvoorbeeld al door haar CO2 footprint om te rekenen naar kosten en dit zichtbaar te maken in het bedrijfsresultaat. Op basis van deze rekenmodellen kan met de maatschappij (consumenten, burgers, belastingbetalers) de discussie worden gestart over de wijze waarop deze kosten verrekend moeten worden: via het product, via de belastingen of af blijven wentelen op omgeving, andere landen of de toekomst.

Recentere doelen

In de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw zijn hier nog twee doelen bijgekomen.

6. Bescherming van het milieu en levering van publieke diensten

Eerst via cross compliance en nu via vergroening van de 1e pijler en verder op basis van vrijwilligheid via de 2e pijler, wordt gepoogd de landbouwproductie te verduurzamen en de onvoorstelbare teruggang van milieu, natuur en landschap als gevolg van de modernisering van de landbouw tegen te gaan.

Er valt hier uiteraard een hele hoop over te zeggen. Ik ben van mening dat andere wet- en regelgeving, regionaal, nationaal en Europees (KRW, Vogel- en Habitatrichtlijn, Nitraatrichtlijn) meer effect sorteren dan het monstrum dat nu vergroening heet. Het zou me niet verbazen als uit de eerste evaluaties al blijkt dat de vergroening niet alleen weinig effect sorteert, maar zelfs contraproductief werkt, omdat veel boeren de animo verliezen om nog mee te doen aan de (vrijwillige) agro-milieu-klimaatmaatregelen in de 2e pijler. Het huidige beleid is absoluut niet stimulerend en beloont voorlopers niet. Hiermee werkt het beleid ook als rem op innovatie.

7. Gebalanceerde territoriale ontwikkeling

Het blijft een enigszins wonderlijke constructie om de leefbaarheid en vitaliteit van het platteland via de band van de Europese landbouwsubsidies te regelen. Uiteraard is de landbouwsector de grootste landgebruiker en in veel gebieden (niet in Nederland) nog een belangrijke economische factor.Maar plattelandsbeleid is veel breder. Sommige zaken, zoals de kleine kernenproblematiek, is sociaaleconomisch beleid dat feitelijk primair een zaak is van de lidstaten. Bescherming van natuur, landschap en natuurlijke hulpbronnen is sectoroverstijgend, dus waarom zou je de landbouw hierin een aparte positie geven?

Daar waar Europa een rol heeft, lijkt het meer voor de hand te liggen om de economische ontwikkeling van achterblijvende Europese plattelandsregio’s, net als in het verleden, onderdeel te maken van regionaal beleid en de zaken met betrekking tot milieu, natuur, klimaat en bescherming van natuurlijke hulpbronnen, voor zo ver geen onderdeel van verdergaand nationaal beleid, onder te brengen bij DG Milieu. Daarmee worden deze hete hangijzers ook losgemaakt van de nu oeverloze discussies in de landbouwpolitieke arena, waar we in 2013 getuige van waren en die uiteindelijk geleid hebben tot een zouteloos en nodeloos gecompliceerd compromis.

Nieuw doel

Tot slot zou ik zelf nog een doelstelling aan het GLB toe willen voegen.

8. Volksgezondheid

De relatie tussen voedsel en gezondheid is buitengemeen ingewikkeld. Dit neemt niet weg dat er weinig deskundigen zijn die zullen tegenspreken dat het het toenemende probleem  van overgewicht en obesitas, met name onder jongeren, te maken heeft met veranderende voedingspatronen.

Zoals bekend leiden overgewicht en obesitas, zeker als dit al op jonge leeftijd ontstaat, tot grote gezondheidsproblemen en dus maatschappelijke kosten. Uiteraard moet bij een aanpak van deze problematiek eerst de bal bij de consument worden gelegd. Maar ook de manier waarop ons voedsel wordt geproduceerd, bewerkt, verwerkt en vermarkt speelt nadrukkelijk een rol. Het is met andere woorden een zaak van de hele keten. Er zijn steeds meer deskundigen (zie bijvoorbeeld het rapport van de WRR) en maatschappelijke organisaties die daarom pleiten om het GLB om te vormen van een landbouwbeleid naar een voedselbeleid waarbij, naast de boer, ook nadrukkelijk de andere ketenpartijen, inclusief de consument, betrokken worden.

Mijn stelling voor GLB post2020:
Vorm het huidige GLB om tot een integraal (= ketengericht) en geïntegreerd (= alle doelstellingen in samenhang bekeken) voedselbeleid, waarbij ook het thema Volksgezondheid wordt meegenomen. Het zou zo maar kunnen dat preventieve investeringen in verbetering van de nutritionele kwaliteit van voedsel en verbetering van voedselpatronen hun geld op termijn dubbel en dwars terug verdienen.

Bart Soldaat

 

Tags:

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

You may use these HTML tags and attributes: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>