Actueel

Consultatie vereenvoudiging GLB – Deel 2: markt- en prijsbeleid

29 januari 2015 |

Ervaart u regels of administratieve procedures rond het markt- en prijsbeleid die onnodig gecompliceerd zijn? Verplichte kwaliteitsnormen die weinig toevoegen maar wel een extra administratieve last betekenen? Eenzelfde regeling waarbij afhankelijk van de sector verschillende procedures of termijnen gelden? Of juist multi-interpretabele normen met onduidelijkheid en onzekerheid als gevolg? Het ministerie van EZ hoort graag van u welke vereenvoudigingen u voorstelt en welke knelpunten u ervaart in de uitvoering van de maatregelen. Grijp uw kans om bij te dragen aan een vereenvoudiging van het GLB.

We nodigen u uit door middel van deze internetconsultatie om suggesties te doen voor vereenvoudiging van de uitvoering. Dat kan door te reageren onder deze blog. We verzamelen deze en sturen de goed toepasbare suggesties door naar EU-commissaris Phil Hogan.

Over het markt- en prijsbeleid

Het markt- en prijsbeleid is in de loop van de jaren een steeds kleiner onderdeel geworden van het GLB. Maar ook in het nieuwe GLB komt het nog terug in de vorm van importcertificaten en kwaliteitsnormen, crisisinstrumenten zoals openbare interventie  en particuliere opslag, normen voor beschermde (streek)producten, de regeling voor schoolmelk en schoolfruit en promotie. Ook de Gemeenschappelijke Marktordening Groente en Fruit  valt eronder, subsidies om de marktstructuur van de groente- en fruitsector  te verbeteren.

Hieronder geef ik een aantal voorbeelden en zoekrichtingen, waarbij ik me bij sommige voorbeelden afvraag of u dit als een probleem ervaart.

Ingewikkelde regels en procedures

In de eerste plaats kunt u denken aan ingewikkelde procedures of regels  zoals voor groenten en fruit. Of regels die hun doel voorbij schieten, zoals bepaalde Europese handelsnormen. In Nederland gelden voor veel producten bovenwettelijke en strengere normen vanuit de sector. Wellicht is het voor die producten afdoende om aan te tonen dat al aan deze regels is voldaan, en dat daarmee ook automatisch is voldaan aan de Europese normen.

Eén regeling, verschillende procedures

Om een beschermde geografische aanduiding te krijgen  gelden nu vier verschillende procedures, afhankelijk van de sector. Ook bij de tariefcontingenten (bij import) certificaten geldt dat die voor de verschillende sectoren (en soms zelfs binnen sectoren) op een verschillende manier beheerd worden. Is dat terecht en wenselijk of heeft u daar last van? Dit horen we graag van u. Wellicht is het mogelijk om deze wat meer gelijk te trekken.

Eenheidsprijzen

Het huidige betalingssysteem rond de regeling voor schoolfruit is gebaseerd op werkelijke kosten. Een mogelijke administratieve versimpeling is het werken met vaste eenheidsprijzen, in plaats van met het huidige ingewikkelde systeem. Deelt u deze mening?

Niet volledig benutte importquota

Wat betreft de tariefcontigenten (importquota) geldt dat sommige op de dag dat de inschrijving opent al vol zijn, terwijl andere onderbenut worden. Voor deze onderbenutte quota kunnen wellicht de procedures wat simpeler.

Verduidelijking in plaats van vereenvoudiging

Vereenvoudiging betekent niet alleen het schrappen van regels en het versimpelen van procedures.  Dat kan immers ook onzekerheid met zich meebrengen, bijvoorbeeld omdat regels op meerdere manieren te interpreteren zijn. Soms is de sector juist gebaat bij heel expliciete normen, ook als dat in eerste instantie meer regels en procedures meebrengt. Denk daar bijvoorbeeld aan de eisen rond pluimveevlees.En soms is de sector vooral gebaat bij meer duidelijkheid van de regelgeving , zoals met betrekking tot de erkenningsvereisten voor producentenorganisaties van groenten en fruit.

Ik ben benieuwd naar uw suggesties ten aanzien van het markt- en prijsbeleid  en nodig u van harte uit deze met ons te delen. Dat kan tot en met 13 februari 2015. U kunt uw suggesties indienen door te reageren op deze blog. Uiteraard mag u  van ons verwachten dat we elke suggestie serieus nemen en hier ook op reageren.

Karel van Bommel
Senior beleidsmedewerker Europees Landbouwbeleid


Over de consultatie

De Europese commissie maakt serieus werk van vereenvoudiging van het GLB. Het ministerie van EZ dringt al jaren aan op vereenvoudiging van het huidig stelsel. Ook de Tweede Kamer volgt dit thema met bijzondere belangstelling. Onlangs vroeg de EU-Commissaris Hogan de lidstaten met goede voorstellen te komen om de uitvoering van het GLB te vereenvoudigen.

Iedereen die te maken heeft met de uitvoering van het GLB kan meepraten. Onder dit bericht kunt u uw suggesties kwijt m.b.t. het markt- en prijsbeleid. Lees ook de blogberichten over directe betalingen en over plattelandsontwikkeling.

Alle suggesties zijn welkom. Waarbij we meteen opmerken dat niet alles zo maar kan worden gewijzigd. Over sommige afspraken in het GLB is jaren over onderhandeld, die kunnen niet simpelweg van tafel worden geveegd. Andere regels zijn ontwikkeld om fraude tegen te gaan. Laat dit u er echter niet van weerhouden met suggesties te komen. Het ministerie zal elk idee met open armen ontvangen.

Lees meer over de consultatie >>

 

Tags:

22 reacties op “Consultatie vereenvoudiging GLB – Deel 2: markt- en prijsbeleid

  1. Geachte heer Van Bommel,

    Volgens de huidige voorschriften van het GLB (Vo. 1308/2013, artikel 157, lid 1) kunnen brancheorganisaties slechts worden opgericht voor een specifieke – in Bijlage I bij deze verordening genoemde – sector. Deze bepaling maakt het onmogelijk om één brancheorganisatie voor een logisch cluster van sectoren, zoals de akkerbouw, op te richten.

    Het Nederlandse akkerbouwbedrijfsleven heeft behoefte een structuur tot stand te brengen, die het mogelijk maakt collectieve maatregelen te nemen ter voorkoming van ziekten en plagen en collectieve onderzoeksprogramma’s op te zetten met het oog op innovaties op brede terreinen als bodemvruchtbaarheid, plantgezondheid etc., met andere woorden thema’s die in belangrijke mate gewasoverschrijdend zijn en te maken hebben met de duurzaamheid van landbouwsystemen, die – zoals dat in de akkerbouw gebruikelijk is – meerdere gewassen omvatten.

    De huidige restrictie om brancheorganisaties per in Vo. 1308/2013 onderscheiden sector te moeten instellen, is niet nodig gelet op doel en taak van dergelijke organisaties, werkt belemmerend voor sectoren zoals de akkerbouw en zou dan ook moeten vervallen. Opgemerkt wordt dat de in Vo. 1308/2013 gehanteerde sectorindeling vanuit het oogpunt van het instellen van brancheorganisaties ook niet logisch is, daar deze in een aantal gevallen aan elkaar verwante producten scheidt en niet verwante producten in één sector groepeert (vgl. sector “Andere producten”).

    1. Hartelijk dank voor de reactie. We delen de mening dat de indeling naar sectoren voor de akkerbouw niet past bij hoe de sector is georganiseerd. Dit hebben we ook al bij de Commissie aangekaart. Ik verwacht niet dat dit een punt is dat snel opgelost kan worden, omdat dit in de basisverordening is opgenomen.

  2. We hebben gisteren een uitgebreide lijst met vragen en opmerkingen ingebracht. Deze lijst bevat punten die nu gelijk geregeld kunnen worden in de uitvoeringsverordening en zaken welke wij als aandachtspunten zien voor de lange termijn. Binnen het Markt- en Prijsbeleid hebben wij bijvoorbeeld het punt mededinging aan de orde gesteld. Voor boeren en tuinders is het met het oog op duurzaamheidsinitiatieven en crisismaatregelen van belang duidelijkheid te krijgen over wat de regels zijn rond mededinging. Het voorbeeld van het artikel 222 hebben we hierbij genoemd; onder welke omstandigheden mag je in tijden van crisis afspraken maken tussen producentenorganisaties om de markt te verlichten? Volgens ons kan de Europese Commissie hier morgen nog een antwoord op geven. Een ander onderwerp wat ter sprake kwam is de regelgeving rond de Gemeenschappelijke Markt Ordening Groente en Fruit. LTO Nederland ziet hier uitdagingen op de korte termijn waarbij er meer duidelijkheid geschept kan worden over bijvoorbeeld de indicatoren waaraan telers hebben te voldoen bij bepaalde investeringen. Maar op de lange termijn zet LTO Nederland vraagtekens bij de doelstelling van de GMO, dient de huidige structuur nog het doel? Een focus op (keten) kennis en innovatie zou in onze ogen boeren en tuinders beter dienen.

    LTO Nederland juicht het initiatief van het ministerie om partijen uit het veld te horen over de versimpeling toe. We dragen dan ook graag ons steentje bij, zowel op de korte als de lange termijn, in het belang van onze leden en een florerende land- en tuinbouw.

    1. Hartelijk dank voor de reactie. Ik zal puntsgewijs op uw reactie ingaan.
      Ik ben het met je eens dat duidelijke en vooral realistische indicatoren belangrijk zijn en dat daar zeker een
      vereenvoudigingsopgave ligt. Wat de doelstelling van de GMO betreft, we zijn nu bezig met het opstellen van een nieuwe Nationale Strategie waarbij we ons onder andere ten doel stellen om ervoor te zorgen dat de mogelijkheden onder de GMO meer ingezet worden ten behoeve van marktgerichtheid en innovatie. Over de Nationale Strategie gaan we nog in gesprek met de sector.
      LTO Nederland heeft hier een goed punt. Het GLB voorziet in de mogelijkheid van een crisiskartel, dan moet wel duidelijk zijn wanneer van die mogelijkheid gebruikt gemaakt kan worden. De staatssecretaris heeft hier ook echt een punt van gemaakt in Brussel. Ook zij wil dat de Europese Commissie zo spoedig mogelijk helderheid verschaft.

  3. Wijnbouw: kunnen de meldingen aan het RVO betreffende aansuikeren, aanzuren, ontzuren en aanzoeten, vervallen, daar de administratie niet de bij kontrolle benodigde details bevat, die zijn een verplicht onderdeel van de wijnadministratie, en worden daar bij inspectie gekontrolleerd. De melding administratie geeft geen additionele waarde, alleen meer werk. Simon Crone NL wijngaardeniers

    1. Goed punt, de Europese wijnwetgeving bevat inderdaad vrij
      gedetailleerde bepalingen rond zaken die gemeld moeten worden aan de nationale autoriteiten terwijl het doel daarvan niet altijd helder is. Ik denk dat hier zeker aanknopingspunten liggen voor vereenvoudiging van de regelgeving en lastenverlichting voor wijnproducenten.

      1. Wijnbouw: het uitwerken van een wijnfles etiket vraagt om door complexe, uitgebreide instructies te gaan, vaak nog met verschillende opties. Kan dit op een effectievere, minder etiket fout gevoelige wijze worden gedaan => duidelijke actuele voorbeelden van de etiket inhoud voor de meest gebruikte scenarios, die het gross van de etiketten vertegenwoordigt en op deze manier op een effectieve en foutloze wijze de verplichte en facultieve etiket info faciliteert, bijv voor wijn: alleen wijn, cepage wijn, BGA met of zonder kleiner gebied, BOB, Parel wijn…. / Mousserende wijn al naar gelang waar dit na de wijn productie uitgevoerde procede wordt uitgevoerd..enz. Daarnaast een review en daarop gebaseerde aanpassing van de detail instructies om voor niet meer standard scenarios tot de etiket inhoud te komen. Al met al een effectiever en minder fout gevoelig (kosten) proces van etiket maken. Simon Crone NL wijngaardeniers

      2. Beste Simon,
        De Europese wijnregelgeving bevat gedetailleerde
        etiketteringsvoorschriften, die op sommige punten inderdaad onduidelijk zijn.
        Daarbij komt dat eind december nieuwe Europese horizontale etiketteringsvoorschriften in werking zijn getreden, die deels ook betrekking hebben op wijn. Ik kan me voorstellen dat het voor wijnproducenten niet eenvoudig is om zicht te krijgen op welke aanduidingen in verschillende situaties op wijnetiketten moeten en mogen voorkomen. RVO kan eventueel een helpende hand bieden om de wijngaardeniers via een duidelijk overzicht wegwijs te maken in deze ingewikkelde regels. Naar de toekomst toe is het zeker de moeite waard om te bekijken waar de Europese etiketteringsvoorschriften voor wijn verder vereenvoudigd en/of verduidelijkt kunnen worden.

      3. Wijnbouw: Opgave van verliespercentages. Wanneer men wijn maakt van druiven wordt gecontroleerd dat er geen wijn verdwijnt (accijns), ok. Echter het wijnproces kent verliezen, bij klaren van de wijn, overhevelen, lageren op vaten. In NL wordt 3,5% tot 4,5% aangehouden, daarna verliezen melden. Echter dit staat niet in verhouding tot de realiteit, die is meer zoals de duitse weinrecht, en regels in andere wijnlanden. Zoals men kan zien wanneer men de onderstaande NL en DR regels vergelijkt is er een belangrijk verschil, die het nodig kan maken dat in NL belangrijk meer meldingen moeten worden gedaan, Danj zijn er in NL voor dit onderwerp twee kontrolle authoriteiten, de NVWA en de Douane, is 1 niet voldoende. Daarom kan gebaseerd op uitgebreide wijnmaakkennis de regeling betreffende verliezen gecheckt/aangepast worden, en ook wie kontrolleert wat (1 !)…. op deze manier komt er een effectievere meldingregistratie en kontrolle van de volumes, via de actuele inhoud en wijnadministratie. Simon Crone NL Wijngaardeniers

        NL regels
        Het maximumpercentage voor verlies is:
        – 1% voor verlies als gevolg van verdamping tijdens de opslag;
        – 3,5% voor verlies als gevolg van diverse behandelingen;
        – 3,5% voor verlies als gevolg van een verandering van categorie van het product.

        Duitse Regels
        Tabelle 8: In der Weinbuchführung maximal zulässige Mengenverluste
        Verlust
        Most zu Wein 8%
        Weinbehandlung, und Füllverluste 5%
        Weinlagerung im Holzfass 0,4 pro Monat
        Weinlagerung im Edelstahl-, GfK- Tank 0,05 pro Monat
        Maximal Abzuschreibend Verluste im Jahr
        13% +
        Lagerverluste
        Mengenverluste, die diese Höchstsätze überschreiten, sind der Weinkontrolle unverzüglich zu melden. Dies könnte zum Beispiel der Fall sein, wenn ein Tank nicht richtig verschlossen wurde und auslief. Früher wurden in solchen Fällen gerne glaubwürdige Zeugen hinzugezogen. Heute ist ein Foto als Beweismittel hilfreich, z. B. wenn im Flaschenlager eine Gitterbox umfällt.

      4. De genoemde maximale percentages voor verliezen ten gevolge van verdamping en verschillende behandeling tijdens het wijnbereidingsproces zijn een Nederlandse invulling van de EU-regels en vastgelegd in de nationale regelgeving voor wijn. Als blijkt dat deze percentages aanzienlijk lager liggen dan in andere landen en ook niet passend zijn voor de praktijk in Nederland kunnen we daar zeker over spreken en indien nodig de maximale percentages bijstellen.

        Het is waar dat wijnbedrijven zowel gecontroleerd worden door de NVWA als door de douane, maar elke dienst heeft daarbij zijn eigen verantwoordelijkheden. Het kan zijn dat bepaalde aspecten van de wijnadministratie zowel voor NVWA als voor douane relevant zijn, maar het zal in de praktijk moeilijk zijn om alle controles door een van beide diensten te laten plaatsvinden. Wel kunnen we eventueel bekijken op welke punten samenwerking tussen douane en NVWA mogelijk is en waar zaken voor de wijnproducent versimpeld kunnen worden.

  4. Beste Karel,

    In de blog besteed je naast de behoefte aan vereenvoudiging ook aandacht aan de noodzaak tot verduidelijking. In dit kader noem je de regels voor producentenorganisaties. Ik ben het me je eens dat dit onderwerp meer helderheid behoeft. Maar laat ik eerst iets zeggen over vereenvoudiging.
    Producentenorganisaties kennen we in Nederland tot voor kort alleen in de sector groenten en fruit. Sinds 2007 kent de Europese regelgeving steeds meer ruimte toe aan producentenorganisaties in andere sectoren. Deze regelgeving is stapsgewijs opgenomen in de integrale GMO-verordening (2007). En zoals de naam al zegt. De verordening beoogt ook het beleid te integreren, dus eenduidiger te maken voor alle sectoren. Het is een goed streven om de regels voor producentenorganisaties algemeen geldend te laten zijn. Dit is in de iGMO-verordening ook gebeurd. Alleen voor de sector groenten en fruit bleven extra regels bestaan vanwege de subsidiemogelijkheden.

    Dit streven naar vereenvoudiging door te integreren is in de opvolger van deze GMO-verordening (Vo. 1308/2013) al weer te niet gedaan. Binnen de regels voor producentenorganisaties zijn nu weer specifieke regels voor zuivel en melkproducten, rundvlees en bepaalde akkerbouwproducten. Deze specifieke regels hebben betrekking op contracten. Ze zijn niet op hun plaats binnen de regelgeving over producentenorganisaties. Deze bijzondere regels kunnen zelfs weer wringen met de doelstellingen voor producentenorganisaties, zoals geformuleerd in de generieke regels.

    O ja, dan nog over verduidelijking van de producentenorganisatieregels. Het ministerie van Economische Zaken zou in najaar 2014 met een handleiding komen. Deze belofte is niet vervuld.
    Ik wil wel een tip meegeven. De verordening benoemt doelstellingen voor producentenorganisaties, maar geeft geen invulling aan mogelijke activiteiten. Laat de overheid daarover duidelijkheid verschaffen, zodat de producenten weten waar ze aan toe zijn en niet achteraf met de bestraffende vinger van de mededingingsautoriteit geconfronteerd worden.

    1. Beste Maria,
      Dank voor je reactie. Ik kan me goed voorstellen dat het niet logisch is om onderscheid tussen PO’s in de diverse sectoren te maken voor wat betreft de regels over gezamenlijke verkoop.
      De huidige tekst is een onderhandelingsresultaat, waarvan de implicaties niet bij voorbaat altijd even duidelijk zijn. Maar de specifieke regels beogen enkel de PO’s in de betrokken sectoren iets meer zekerheid te bieden over de omstandigheden/randvoorwaarden waaronder de gezamenlijke verkoop vanuit mededingingsoogpunt is toegestaan. Ze bieden overigens geen 100% zekerheid want er kunnen toch nog omstandigheden zijn waaronder de mededingingsautoriteiten menen dat in individuele gevallen de gezamenlijke verkoop niet is toegestaan, bijvoorbeeld wanneer sprake zou zijn van uitsluiting van mededinging. De specifieke regels betekenen niet dat onderhandelingen over andere hoeveelheden of door PO’s in andere sectoren per definitie niet meer zijn toegestaan. In die gevallen kan dan wel geen beroep worden gedaan op de specifieke regels, maar mogelijk wel op de uitzonderingen in het generieke mededingingsrecht. Over deze aspecten heeft het Ministerie van EZ inderdaad een handleiding mededingingsrecht voor producenten- en brancheorganisaties in de landbouwsector aan de Kamer toegezegd. De handleiding is inmiddels gereed en wordt binnenkort aan de Kamer verzonden.

  5. In de uitvoeringsverordening Nr. 741/2013 is het beheer van tariefcontingenten voor landbouwproducten bekend gemaakt (circulaire 13.101). Dit contingent wordt beheerd op basis van “wie het eerst komt, het eerst maalt”. Dit principe is onuitvoerbaar voor “kleinere’ importeurs omdat het risico vele malen groter is dan de eventuele opbrengsten. Deze maken nu vaak geen gebruik van dit contingent omdat de kans bestaat dat de goederen bij aankomst EU alsnog aan aan heffing onderhevig zijn. Voorbeeld: op witte suiker is de invoerheffing minimaal € 419,- per ton terwijl de prijs voor witsuiker op de wereldmarkt momenteel rond de € 360,- per ton schommelt en de prijs momenteel in de EU € 400,- per ton bedraagt. Als de importeur dus buiten het aangegeven contingent komt is zijn verlies ongeveer al € 380,- per ton los van het valuta risico. Het principe “wie het eerst komt, het eerst maalt” is geen basis waarop bedrijven zaken willen doen en zou bijvoorbeeld omgezet worden in het vooraf inschrijven op een contingent (desnoods met borg) zodat het bedrijf zeker weet dat de producten zonder heffing geimporteerd kunnen worden.

    1. Beste Marco,
      Hartelijk dank voor de reactie. Ik zie inderdaad dat een “first come, first serve” een barrière kan opwerpen. Het is logisch dat je zekerheid wilt hebben voordat je de partij aankoopt. Ik heb inderdaad ook al eerder gehoord dat zowel kleine als grote importeurs niet meer durven te importeren, wanneer een quotum bijna vol is. De tariefcontigenten is een onderwerp dat momenteel in Brussel wordt besproken. ‘First come, first serve” werkt vooral goed bij contigenten die zeker niet worden gevuld.

      Ik moet wel aangeven dat bij het laatste WTO-akkoord overeen is gekomen om tariefquota zoveel mogelijk op basis “First come, First serve” te gaan beheren en ook de Commissie (DG AGRI) dit principe omarmt omdat het de administratieve lasten verlicht.

      Het vooraf inschrijven, zoals je voorstelt, zal zeker met een borg moeten gebeuren, omdat marktpartijen anders zonder risico kunnen inschrijven en dan geneigd zijn om voor meer in te schrijven dan ze van plan zijn om te importeren. Dit is ook één van de systemen die in Brussel wordt besproken en bij verschillende vleescontigenten nu al wordt toegepast.

      De Nederlandse insteek in de discussies in Brussel is dat “populaire” contingenten via certificaten beheerd blijven worden, omdat dat meer zekerheid biedt op het gebruik van het contigent. Dat kan via:
      – een systeem van inschrijvingen op importrechten, zoals in de vleessector gebruikelijk,
      – bijzondere invoercertificaten die kunnen worden aangevraagd o.b.v. een in het land van oorsprong afgegeven uitvoercertificaat, of
      – bijzondere uitvoercertificaten, waarbij het recht op het preferentiële recht ontstaat bij overlegging van een certificaat van oorsprong.

  6. Wat mij verbaasd is dat Verordening (EG) 88/2007 nog steeds geldig is.
    Gemiddeld wordt er van deze regeling zo’n 2 a 3 keer in de maand gebruik gemaakt, met alle bijbehorende “overbodige” (want er is geen restitutie meer) documentatie.
    Ik verwacht dat de bedrijven die hier nu gebruik van maken dankbaar zullen zijn als deze verordening vervalt.

    1. Beste Ted,
      Hartelijk dank voor de reactie. Het is inderdaad onwenselijk dat bedrijven die documentatie onnodig invullen. Het klinkt als een interessante suggestie om een verordening mbt tot
      restitutie te schorsen, want deze is nu niet van toepassing aangezien er geen exportrestituties zijn. Waarschijnlijk is deze nog steeds geldig, omdat restituties in theorie opnieuw bij een crisis kunnen worden ingevoerd.

  7. Voorstel is om de controle op Hennepzaadadministratie meer van de importeur richting de echte eindverbruiker/ verwerker te verplaatsen. Regelgeving en praktijk sluiten op dit niveau niet altijd bij elkaar aan. Ook krijg je dan het verschil tussen de verschillende lidstaten wat inzichtelijker.
    Hennep groeit tegenwoordig niet alleen in China of Canada, maar ook in Frankrijk, Nederland en andere Europese landen. Bovendien gaat het steeds meer naar de verwerkende industrie voor humane consumptie en cosmetica. Hiervoor is geen ruimte gereserveerd op de Eindverbruikersverklaring.

    1. Beste Marijn,
      Hartelijk dank met de reactie. Ik begrijp uw punt met betrekking tot controle bij de importeur of de echte eindverbruiker, maar voor de overheid is het lastig te achterhalen wie de eindgebruiker is. De import van hennepzaad is een gevoelig product, waarbij de importeur wel een verantwoordelijkheid heeft dat deze in de correcte kanalen wordt afgezet.
      De eindverklaring gaat inderdaad alleen maar over zaad van buiten de EU. Naar het verschil tussen Europees hennepzaad en niet-Europees hennepzaad kan worden gekeken. Ook kan er
      worden gekeken of de mogelijke bestemmingen nog voldoet aan de huidige toepassing van hennepzaad.

  8. Bij contingentregelingen wordt veelvuldig gebruik gemaakt van talloze dochterondernemingen, die in principe allemaal onder één bedrijf vallen. Hiermee verkrijgt het ‘moeder’ bedrijf een groter aandeel in de gegunde hoeveelheid.
    Dit brengt ontzettend veel werk met zich mee. Ik heb de oplossing ook niet zo voor handen, maar wellicht kan in Brussel hiervoor een oplossing bedacht worden.

    1. Beste Marcel,
      Hartelijk dank voor deze reactie. Het is inderdaad een bekend fenomeen dat een ‘Moeder’bedrijf dochters laat aanvragen, wat tot meer aanvragen leidt dan nodig is. Dit speelt vooral als er een maximale hoeveelheid per aanvrager geldt. De achtergrond van een maximale hoeveelheid is dat de commissie MKB-bedrijven extra mogelijkheden wil bieden.
      Helaas wordt dit doel niet altijd bereikt, doordat grote bedrijven veel dochterbedrijven laten aanvragen, waardoor het contigent alsnog vooral bij de grotere handelaren terecht komt. Het is een onderwerp dat in Brussel besproken wordt.

  9. Schaf de GLB-subsidie op het bezit en of gebruik van grond af. Er wordt immers geen tegenprestatie voor geleverd. Verhoog de GLB-subsidie voor de vergroeningseisen. Immers de vergroeningseisen zijn wel een tegenprestatie. De verkoop van landbouwproducten moet de agrariër zijn inkomen opleveren en niet de subsidie op grond. De EU moet zorgen voor een eerlijke concurrentiepositie van de producerende agrariër in de markt. Voordeel hiervan is, dat de grondprijzen niet nog meer een luchtbel in de onroerend goed markt gaan vormen, als dat al niet het geval is. Een luchtbel in de grondprijzen kunnen een volgende crisis inluiden voor de banken en daarmee de gehele EU-samenleving.

    1. Beste Parel,
      Een verschuiving naar gerichte betalingen, zoals vergroening, maar ook innovatie of investeringen in verduurzaming zou inderdaad een goede optie zijn op langere termijn, omdat dit de concurrentiekracht van de sector versterkt.
      De hectarebetaling werkt inderdaad door in de grondprijs. Maar om te spreken van een luchtbel gaat ver, omdat tegenover de stijging wel inkomsten staan. Dat neemt niet weg dat de grondprijs in Nederland wel hoog.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

You may use these HTML tags and attributes: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>