Actueel

Positionpaper WUR: 4. Vijf voorbeelden van een Gemeenschappelijk Landbouw- en Voedselbeleid

15 september 2016 |

Het GLB moet duurzamer: veel stakeholders kunnen zich daarin vinden. Wageningen University & Research gaat verder en pleit voor een Gemeenschappelijk Landbouw- en Voedselbeleid. Tijdens de Mansholtlezing in Brussel op 9 september 2016 presenteerden Louise Fresco en Krijn Poppe hun positionpaper ‘Towards a Common Agricultural and Food Policy’. Deze week nemen we u stap voor stap mee door hun betoog. Natuurlijk horen we daarop graag ook uw verhaal.

Vandaag:

Voorbeelden van nieuw beleid

Het huidige GLB richt zich vooral op prijs (lage prijzen voor consumenten, inkomen voor boeren), niet op vragen uit de samenleving (milieu en klimaatverandering) of de toegenomen macht van andere partijen uit de keten. Daarom stellen Fresco en Poppe een breder Gemeenschappelijk Landbouw- en Voedselbeleid voor, dat aantrekkelijker is voor consumenten en ons voedselsysteem veerkrachtiger maakt. Bij de beleidsdialoog moeten behalve de landbouw ook andere spelers uit de keten, milieu- en consumentenorganisaties betrokken worden.

1. ‘Maak onze diëten gezonder en duurzamer met prijzen naar werkelijke kosten’

Een landbouwbeleid  moet in de eerste plaats zorgen voor een gezonder en duurzamer voedselaanbod. Een eerste stap om dat doel te bereiken, is om consumenten de werkelijke kosten te laten betalen. Bij die werkelijke kosten horen ook milieukosten, zoals CO2-uitstoot. CO2-certificaten worden overbodig en oneerlijke concurrentie tussen biologische en gangbare landbouw verdwijnt. Een hogere prijs is bovendien een sterkere stimulans om voedselverspilling terug te dringen.

Eerlijke prijzen zullen niet alle problemen met onze voedselpatronen oplossen. Waar nodig kunnen overheden andere instrumenten inzetten, zoals educatie en inkoopstrategieën. De mogelijkheden groeien doordat we het menselijk lichaam steeds beter begrijpen. Dit zal bijvoorbeeld tot gepersonaliseerde voeding leiden.

Overheden kunnen het niet alleen: retailers en voedingsbedrijven moeten ook deel uitmaken van het beleid, als partner of als doel. Veranderingen in het consumentengedrag sporen vervolgens boeren aan om hun productie(proces) te veranderen.

2. ‘Neem afspraken voor klimaatverandering op in boerenbeslissingen’

Om de landbouw en voedselketen klimaatbestendiger te maken zijn de signalen van supermarkten en consumenten alleen niet voldoende. Het beleid moet boeren direct helpen om zich aan te passen. Zowel in pijler 1 (vergroening) als in pijler 2 zijn daarvoor nu al maatregelen opgenomen.

Tijdens de klimaatconferentie in Parijs is afgesproken dat voedselproductie geen risico mag lopen bij de aanpak van klimaatverandering. Maar dat wil niet zeggen dat voedselproductie (en –consumptie) geen bijdrage kan leveren. Denk aan CO2-opslag in de landbouw(grond). Ook kan bijvoorbeeld de uitstoot van broeikasgassen door vee verlaagd worden door dieren zo veel mogelijk binnen te houden. Dan is echter ook een dialoog met de samenleving nodig, omdat veel mensen dit zien als een ongewenste ontwikkeling voor dierenwelzijn.

3. ‘Breng stimulansen in de voedselketen op één lijn’

Landbouwbeleid en milieubeleid richten zich nu direct op boeren. Maar verschillende retailers en voedselverwerkers nemen zelf ook initiatieven om boeren te stimuleren duurzamer te werken (bijv. Veldleeuwerik). Deze regelingen komen bovenop die overheidsregelingen, en dat maakt het voor boeren soms ingewikkeld. Daarom zouden die regelingen op elkaar af moeten worden gestemd: het voedselbeleid moet private partijen stimuleren zelf meer systemen op te zetten die boeren overhalen of dwingen om milieuvriendelijker en gezonder te produceren, en die ook leiden tot een eerlijke prijs.

Al enige tijd speelt de discussie over de macht (en de verschuiving van geld) binnen de voedselketen. Terwijl de hele voedselketen inmiddels bestaat uit grote, goedgeorganiseerde bedrijven, is de boer vaak nog een klein, lokaal familiebedrijf. Belangrijk is dat die zwakste schakel door de dominantie van de grote multinationals niet met de risico’s blijft zitten.

(Ver)koop tussen boer en voedselverwerker gaat al lang niet meer alleen over prijzen en aantallen. In de huidige contracten zou ook makkelijk duurzaamheid meegenomen kunnen worden, bijvoorbeeld door voort te borduren op de huidige equivalente mogelijkheden voor vergroening. Dit kan ook zorgen voor een vermindering van administratieve lasten en het verschuiven van de controlelasten van overheid naar private sector.

4. ‘Installeer slimme instrumenten voor milieumanagement’

Informatie- en communicatietechnologie is een manier om de milieueffecten van pesticiden, meststoffen en energie omlaag te brengen. Beleid kan de ontwikkeling van deze technologie stimuleren maar er ook gebruik van maken. Met de data van boerenbedrijven kunnen autoriteiten de waterkwaliteit en biodiversiteit volgen, maar ook duurzaamheidsafspraken monitoren en controleren. De vergroeningsverplichting kan dan worden gedecentraliseerd naar regionale of lokale overheden. Beleid kan slim worden ingezet in die gebieden waar milieumanagement overheidsbemoeienis nodig heeft. ‘Smart city’-management gebaseerd op big data, maar dan voor het landelijk gebied.

Sommigen suggereren dat door de ICT-revolutie sommige beslissingen van de boer elders in de keten terechtkomen. Boeren worden dan steeds vaker een franchisenemer of contractboer, zoals soms al gebeurt. Als die invloed van grote bedrijven inderdaad groter wordt, dan heeft ook de overheid toegang tot die data nodig om haar rol te spelen in slim management. Soms zal de industrie dan gereguleerd moeten worden, niet de kleine contractboer.

5. ‘Ondersteun ‘ontwrichtende’ innovatie in het stedelijke voedselsysteem en in bio-economie’

De digitalisering van de samenleving heeft in bepaalde sectoren geleid tot een aantal ‘disruptive’ (ontwrichtende) nieuwe businessmodellen, waaronder webshops en platforms als Airbnb. Zulke technologie kan ook leiden tot een nieuwe organisatie van de voedselketen: bijvoorbeeld op meer regionale basis, met meer kortere ketens en multifunctionele businessmodellen. Ze bestaan zelfs al. Een meer regionale en geïntegreerde benadering kan ook de huidige European Innovation Partnerships versterken.

Een vergelijkbare behoefte is er in geïsoleerde landelijke gebieden. De gebieden lopen leeg, wat versterkt wordt door mechanisatie en robotisering, grotere boerderijen en buitenlandse investeerders. Het is echter onverstandig werkgelegenheid te creëren in de landbouw en in te gaan tegen de trend van grotere bedrijven. De huidige technologie werkt het beste voor grote boerderijen. Bovendien is een grotere werkproductiviteit belangrijk voor een goed inkomen. Dat goede inkomen voorkomt ook dat de schaarste van goed personeel nog groter wordt. Banen zijn dan wellicht te vinden door een link met andere sectoren, bijvoorbeeld die in de bio-economie zoals de bosbouw, aquacultuur, natuurbeheer, toerisme en chemische industrie. Voor die nieuwe ‘ontwrichtende’ businessmodellen hebben we nieuwe spelers nodig, en daarom moet het landbouwbeleid ook verder kijken dan boeren alleen.

Samenvattend

Deze vijf voorbeelden laten zien dat niet alleen boeren maar ook andere stakeholders betrokken moeten worden om met innovaties uitdagingen in de samenleving het hoofd te kunnen bieden. Het huidige GLB bevat al een aantal elementen die deze uitdagingen deels aanpakken. Die elementen kunnen wellicht worden uitgebouwd. Maar als we de link tussen burgers en landbouw & voedsel echt willen vernieuwen, dan moeten we naar een Gemeenschappelijk Landbouw- en Voedselbeleid.

Het hele positionpaper vindt u op www.wur.nl >

 

Tags: , ,

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

You may use these HTML tags and attributes: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>