‘GLB-premie alleen voor duurzame boer’

Foto: Hans Dekker

Het volledige GLB-budget moet ten goede komen aan agrarische ondernemers en samenwerkingsverbanden die investeren in duurzaamheid. De ontvangers ontvangen de Brusselse bijdrage minimaal tien jaar. Alleen dan komt een fundamenteel transitieproces op gang, op weg naar een landelijk gebied dat voorziet in alle maatschappelijke behoeften.

Dat betogen WUR-onderzoeker Jaap van Os en landschapsontwerper Dennis Martens.

Keerzijde voedselproductie

Van Os en Martens constateren dat Nederland vooroploopt op het gebied van voedselproductie en landbouwinnovatie. Het landschap, de biodiversiteit en de sociale samenhang op het platteland zijn echter het kind van de rekening geworden. Van Os en Martens pleiten voor een fundamenteel andere aanpak, waarbij het GLB een doorslaggevende rol kan vervullen.

Kringlooplandbouw

Agrarische ondernemers moeten gaan investeren in biodiversiteit, dierwelzijn, productie van duurzame energie, kringlooplandbouw en ruimtelijke kwaliteit. Daarvoor is een herijking van het GLB nodig. Het geld – €877 miljoen per jaar – is er wel, maar moet komende jaren alleen worden uitbetaald aan boeren en samenwerkingsverbanden die in de genoemd doelen investeren. Zij krijgen dan de garantie dat de premies uit Brussel zeker tien jaar worden uitgekeerd.

Zes pilots

Van Os en Martens noemen de zes pilots die het ministerie van LNV heeft geselecteerd voor natuurinclusieve landbouw een mooie eerste stap, maar tegelijkertijd “een aanpassing van het beleid dat hoofdzakelijk gericht is op agrarische en direct aanverwante activiteiten”. De pilots geven onvoldoende antwoord op de ruimtelijke en maatschappelijke transitie waarvoor het platteland staat.

Steun kennisinstellingen

Naast de doelgerichte inzet van de GLB-gelden pleiten zij voor ondersteuning van het transitieproces door overheid en kennisinstellingen. Bijvoorbeeld bij de oprichting van regionale samenwerkingsverbanden die acties ondernemen op het terrein van circulariteit, klimaatadaptatie, lokale economie en ruimtelijke kwaliteit.

Meer toegevoegde waarde in het gebied

De samenwerkingsverbanden zouden moeten inzetten op het delen van kennis, middelen en risico’s. Daarnaast kunnen investeringen in korte ketens en lokale kwaliteitsproducten de afhankelijkheid van marktprijzen verminderen en de marge vergroten. “Die marges komen dan zo veel mogelijk ten goede aan de regio en het rentmeesterschap krijgt een nieuwe vorm.”

Het volledige pleidooi van Jaap van Os en Dennis Martens is hier te vinden.
Daarnaast is ook een korte versie in Trouw gepubliceerd.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *