Nationaal Strategisch Plan

Wat is het NSP?

Halverwege 2018 publiceerde de Europese Commissie haar voorstellen voor het toekomstige Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) in de periode na 2021. In het GLB, welke elke zeven jaar herzien wordt, staan de doelstellingen, prioriteiten en voorwaarden voor het verkrijgen van EU landbouwsubsidies geformuleerd. In het Nationaal Strategisch Plan (NSP) zal worden uitgewerkt op welke wijze Nederland invulling geeft aan de Europese GLB-verordeningen.

Hoewel de Commissievoorstellen nog niet definitief zijn (de Europese Raad én het Europees Parlement buigen zich er nog over), zijn de grote lijnen al wel duidelijk.

  1. Twee belangrijke zaken:
    Lidstaten worden vrijer in hoe ze deze Europese regels uitvoeren. Dat wil zeggen: Er is meer ruimte om de subsidies in te zetten om typisch Nederlandse problemen aan te pakken of in te spelen op kansen in de Nederlandse landbouwsector.
  2. Onderdeel van de nieuwe regels is dat alle EU-landen een Nationaal Strategisch Plan (NSP) moeten ontwikkelen. Hierin moet worden beschreven hoe we de toepassing van de Europese regels in Nederland vorm gaan geven. Het NSP omvat alle bestaande GLB-regelingen, van basispremies en sectormaatregelen tot subsidies voor plattelandsontwikkeling (momenteel in Nederland nog apart belegd onder het Plattelandsontwikkelingsprogramma (POP)). Het NSP bevat ook nieuwe EU-regelgeving, zoals bijvoorbeeld de hieronder omschreven ‘eco-regelingen’.

Het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) is samen met de Provincies, de Unie van Waterschappen en het Ministerie van Infrastructuur en Water inmiddels begonnen met het ontwikkelen van het Nederlandse NSP. Stakeholders worden nauw bij deze ontwikkeling betrokken. Op dit moment worden de kansen en knelpunten van de Nederlandse landbouwsector in kaart gebracht in een SWOT-analyse. Deze SWOT-analyse vormt de basis voor een assessment of needs (een behoeftenanalyse), op basis waarvan er kan worden bepaald welke interventies en maatregelen uiteindelijk in ons NSP terecht zullen komen.

Wat verandert er ten opzichte van het huidige GLB?

De voorstellen bestaan zoals gebruikelijk uit algemene beginselen (bijvoorbeeld regels voor het behoud van eerlijke concurrentie en bescherming van de Europese interne markt) en voorwaarden waaraan moet worden voldaan om subsidies te ontvangen (bijvoorbeeld de minimumvereisten voor basispremie). Opvallend is dat de ambities op het gebied van leefomgeving en klimaat worden verhoogd, en dat er in de nieuwe voorstellen meer ruimte is voor doelgericht handelen.

De nieuwe doelstellingen

Het toekomstige GLB heeft negen doelstellingen op het gebied van economie, ecologie en sociaal-economische ontwikkeling. In het NSP zal worden beargumenteerd welke doelstellingen voor Nederland primair van belang zijn, welke doelen behaald zullen gaan worden en hoe GLB-gelden worden benut om die doelen te behalen. De nieuwe EU-doelen zijn als volgt:

  1. bieden van steun met het oog op een leefbaar landbouwbedrijfsinkomen en veerkracht op het gehele grondgebied van de Unie (ter ondersteuning van de voedselzekerheid);
  2. vergroten van de marktgerichtheid en van het concurrentievermogen, onder meer door sterker te focussen op onderzoek, technologie en digitalisering;
  3. verbeteren van de positie van de landbouwers in de waardeketen;
  4. bijdragen tot matiging van en aanpassing aan klimaatverandering en tot duurzame energie;
  5. bevorderen van duurzame ontwikkeling en efficiënt beheer van natuurlijke hulpbronnen, zoals water, bodem en lucht;
  6. bijdragen tot de bescherming van de biodiversiteit, versterken van ecosysteemdiensten en in stand houden van habitats en landschappen;
  7. aantrekken van jonge landbouwers en vergemakkelijken van bedrijfsontwikkeling in plattelandsgebieden;
  8. bevorderen van de werkgelegenheid, groei, sociale inclusie en lokale ontwikkeling in plattelandsgebieden, met inbegrip van bio-economie en duurzame bosbouw;
  9. beter inspelen op de maatschappelijke vraag op het gebied van voedsel en gezondheid, waaronder veilig, voedzaam en duurzaam voedsel, en op het gebied van dierenwelzijn.

De bovenstaande doelstellingen vormen de basis van de SWOT-analyse.

Naast de Europese doelen, is er in het NSP ook ruimte voor nationale en regionale doelen, zoals vastgelegd in bijvoorbeeld de LNV-visie op kringlooplandbouw, het Klimaatakkoord en het plattelandsbeleid van de provincies. Ons NSP zal ook rekening houden met Europese richtlijnen zoals de Nitraatrichtlijn, de Kaderrichtlijn Water, en de Vogel- en Habitatrichtlijn. Bovendien wordt in ons NSP aansluiting gezocht met bestaande initiatieven, zoals het Deltaplan Biodiversiteit en het Deltaplan Agrarisch Waterbeheer.

Groen-Blauwe architectuur

Om invulling te geven aan de doelstellingen op het gebied van klimaat en leefomgeving wordt een groen-blauwe architectuur uitgewerkt. Die architectuur bestaat uit een aantal elementen van met name grondgebonden steunregelingen zoals directe betalingen, nieuwe ecoregelingen en de maatregelen voor agrarisch natuur- en landschapsbeheer. Op basis van de gebiedspecifieke behoefte wordt bezien hoe de afzonderlijke elementen ingezet kunnen worden. Inzet daarbij is dat de afzonderlijke elementen elkaar maximaal versterken om optimaal tot doelrealisatie te komen.

Daarbij wordt gezocht naar de juiste balans tussen passieve maatregelen (wettelijke verplichtingen waaraan iedere boer moet voldoen) en actieve maatregelen (vrijwillige inspanning) die nodig is om tot realisatie van doelen te komen. Die afweging heeft doorwerking in het niveau van feitelijke vergoeding voor de afzonderlijke elementen. De bijdrage aan maatschappelijke doelen, zoals klimaat, bodem, water, lucht, biodiversiteit en landschap, de inpasbaarheid in de boerenbedrijfsvoering en de eenvoud van de maatregelen bij het uitvoeren zijn daarbij belangrijke uitgangspunten.

De ecoregelingen zijn nieuw ten opzichte van het huidige GLB. Het gaat om vrijwillige, actieve maatregelen die boeren kunnen nemen op het gebied van bijvoorbeeld klimaat, kringlooplandbouw, leefomgeving, bodem, water en landschap. De invulling hiervan is vrij te bepalen voor de lidstaten. Inzet is om een aantal ecoregelingen te ontwikkelen die makkelijk inpasbaar zijn in de bedrijfsvoering (en daarmee laagdrempelig).

Sinds 2016 werken we in het Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer (ANLb) met agrarische collectieven en zal worden voortgezet. De collectieve aanpak biedt vele voordelen. Het is op het niveau van de individuele boer en in een gebied veel flexibeler. Het stelsel heeft geleid tot meer afstemming en kennisspreiding op gebiedsniveau, en is daardoor effectiever. Daarnaast heeft het geleid tot een sterke vereenvoudiging voor de uitvoering door de overheid. Met de collectieven zal zowel worden bezien of en hoe hun rol kan worden uitgebreid ten behoeve van andere elementen van de groen-blauwe architectuur als welke doelen, anders dan biodiversiteit, met het ANLb kunnen worden gerealiseerd.

Met de groen-blauwe architectuur wordt een grote stap voorzien voor het doelgericht belonen van boeren voor het uitvoeren van maatschappelijke diensten.

De voorgestelde budgetten

Het totale GLB-budget wordt in de voorstellen met 5% verlaagd ten opzichte van de huidige periode (2014-2020). Dit vertaalt zich in een voorgestelde korting van 3,9% op de directe betalingen en sectorale steun (waar in de toekomst ook bovengenoemde ecoregelingen onder zullen vallen), waarna het voorgestelde budget voor Nederland uitkomt op 703,9 miljoen euro per jaar. Hiervan moet tenminste 2% besteed worden aan jonge boeren.

Het budget voor plattelandsontwikkelingsprogramma’s wordt in de voorstellen met ongeveer 15% verlaagd, en komt uit op jaarlijks 73,2 miljoen. Tenminste 30% hiervan moet ingezet worden voor maatregelen die positief bijdragen aan milieu en klimaat, en ten minste 5% voor LEADER (bottom-up projecten gericht op sociaal-economische ontwikkeling). Er is in de berekeningen rekening gehouden met de Brexit.

Lidstaten hebben de mogelijkheid om budget te verschuiven tussen de twee budgetten: maximaal 30% van de eerste (directe betalingen, etc.) naar de tweede (plattelandsontwikkeling), en maximaal 15% van de tweede naar eerste.